Voor wat, hoort wat

Investeren in asfalt moet, maar is niet voldoende. Volgens minister Schultz van Haegen (Infrastructuur & Milieu) is beter benutten van bestaande infrastructuur net zo belangrijk. En dat vraagt om gezamenlijk commitment.
Als minister heeft Melanie Schultz van Haegen zich voor deze kabinetsperiode een duidelijk doel gesteld: op de grootste knelpunten moeten de files met 20-30% afnemen. Om dat te bereiken, wordt onder meer 800 kilometer extra rijstrook aangelegd. Maar zeker zo belangrijk is een betere benutting van de bestaande infrastructuur. Op 8 september organiseerde het ministerie een inspiratiebijeenkomst over dit thema, bedoeld voor regionale bestuurders en ondernemers.
Bestuurlijke trio’s
In de visie van de bewindsvrouw is het namelijk vooral op regionaal niveau dat er grote stappen op het gebied van benutting kunnen worden gezet. Het programma Beter Benutten steunt op 7 regionale maatregelpakketten. Die worden opgesteld onder regie van bestuurlijke trio’s, bestaande uit de minister, een gedeputeerde of wethouder, en een CEO uit de regio. De minister meldde tijdens de bijeenkomst dat de regio’s op koers liggen en dat alle hoofdlijnen van de maatregelpakketten al bekend zijn. Zelf heeft ze 794 miljoen euro gereserveerd voor betere benutting, en in ruil daarvoor verwacht zij commitment van de regionale partners. “Voor wat, hoort wat.”
Minder verkeer in de spits
Dat commitment zal een financiële component moeten kennen. Maar ook verwacht de minister een concrete bijdrage aan het terugdringen van het aantal weggebruikers in de spits. “Het bedrijfsleven mag van mij verwachten dat ik voor voldoende wegcapaciteit zorg. Maar het is niet de bedoeling dat wij extra capaciteit creëren om die vervolgens weer snel vol te laten lopen door het bedrijfsleven.” Het programma besteedde dan ook veel aandacht aan initiatieven op het gebied van spitsmijden, mobiliteitsmanagement en Het Nieuwe Werken. “Als we het aantal weggebruikers in de spits met 1% reduceren, levert dat 10% minder file op.”
Gebrek aan prikkels
Aan succesverhalen op dit terrein geen gebrek. In de regio Arnhem/Nijmegen heeft het belonen van spitsmijden tot 3.000 minder spitsritten per dag geleid. Bovendien blijkt dat veel deelnemers ook ná het verdwijnen van de financiële beloning de spits blijven mijden. Laurens Schrijnen, directeur van de Verkeersonderneming in het Rijnmondgebied, meldt dat de doelstellingen op het gebied van spitsmijden al twee keer naar boven zijn bijgesteld. Het onderstreept de conclusie die Pieter Tordoir, hoogleraar Economische Geografie en Planologie aan de UvA, aan het begin van de bijeenkomst trekt. “Voor zo’n dichtbevolkt land heeft Nederland relatief veel kansen voor betere benutting. 20-30% filereductie moet geen enkel probleem zijn.” De oorzaak van de huidige onderbenutting is volgens Tordoir een combinatie van onder meer verkeerd ruimtelijk beleid, de scherpe scheiding tussen transportmodaliteiten en een gebrek aan gedragsprikkels.
En-en-en
Gedragsprikkels zijn de rode draad door het programma, maar vertellen niet het hele verhaal. Tordoir benadrukt dat een succesvolle aanpak van congestie een kwestie van “en-en-en” is: het vraagt om een integraal pakket van maatregelen. De minister erkent dit in de plannen voor Beter Benutten. Daarin wordt naast het terugdringen van het aantal weggebruikers in de spits een tweede pijler genoemd: het optimaliseren van de verschillende netwerken, onder meer door netwerken beter op elkaar aan te laten sluiten en slim gebruik te maken van technologie om verkeer efficiënter af te wikkelen.
Open standaard voor DVM
Dit thema komt er op 8 september wat bekaaid van af. De minister noemt weliswaar investeringen in verkeerscentrales en het vormgeven van regionaal netwerkmanagement. Maar verder krijgt het thema weinig aandacht. Terwijl toch ook op dit terrein de sleutel tot succes ligt in wederzijds commitment. Voor grootschalig netwerkmanagement is immers een open standaard voor dynamisch verkeersmanagement onmisbaar. Marktpartijen werken inmiddels aan zo’n open standaard, een ontwikkeling die volgens hen versneld kan worden als wegbeheerders “zich bereid verklaren mee te werken aan de totstandkoming van zo’n standaard en dat zij hun uitvragen hierop afstemmen.” Ook in dit geval geldt dus: voor wat, hoort wat.



